AAN HET MEER VAN TIBERIAS

De discipelen waren weer teruggegaan naar het meer van Tiberias, waar zij altijd hadden gevist, voordat ze discipelen van Jezus waren geworden. Zij hadden Jezus al 2 x mogen zien nadat Hij was opgestaan uit de dood.

"Ik ga vissen", zei Petrus. "Dan gaan wij met je mee", zeiden de 6 andere discipelen, die ook bij het meer waren. Het was nacht, dat was de beste tijd om te vissen. Zij voeren met hun vissersbootje het meer op en lieten de netten zakken. Maar de nacht ging voorbij en ze hadden de netten al meerdere malen opgehaald en opnieuw laten zakken, maar ze vingen geen vis.

Toen het licht begon te worden zagen ze een man staan aan de oever van het meer. "Hebben jullie iets voor mij te eten? "vroeg de man. "Nee", zeiden de discipelen, "we hebben de hele nacht gevist maar we hebben niets gevangen". "Werp jullie netten uit aan de andere kant van de boot", zei de man. "Dŕn zul je vis vangen". De discipelen wierpen hun netten uit aan de andere kant van de boot en voeren een eindje verder.

Daarna wilden ze de netten binnen halen om te kijken of er vis in zat, maar dat konden ze niet, want de netten waren heel erg zwaar, zoveel vis zat er in. Wat waren die discipelen blij, die man had toch gelijk gehad. Wie zou die man toch zijn? Johannes begreep het eerste, wie die man moest zijn. "Het is de Here Jezus", zei Johannes tegen Petrus.

En Petrus, helemaal enthousiast en blij, trok vlug iets aan en sprong pardoes in het water. Oh hij wilde heel snel bij de Here Jezus zijn. De discipelen voeren met de boot en het net vol vissen achter Petrus aan naar de oever van het meer.
Toen ze daar aankwamen zagen ze dat Jezus al een vuurtje had gemaakt, en er lag brood en vis bij. "Haal nog wat van de vissen die jullie hebben gevangen", zei Jezus en Petrus snelde al naar de boot om de vissen te halen. De discipelen trokken het net aan land en zij telden al de vissen. Het waren er zóveel, wel 153 stuks en het net was niet eens gescheurd, dat was wonderlijk. Wat waren ze blij.

Ze zaten in een kring rondom het vuur en Jezus brak het brood en deelde het brood en de vissen uit aan de discipelen. Het was heerlijk om weer zo bij elkaar te zijn na die moeilijk verdrietige periode in Jeruzalem, toen Jezus was gekruisigd. Maar nu was het al weer de 3e keer dat Jezus bij hen was, nadat Hij was opgestaan uit de dood. De discipelen waren zo gelukkig om weer dicht bij Jezus te mogen zijn.

Toen ze klaar waren met eten vroeg Jezus aan Petrus: "Simon, zoon van Johannes, hou jij van Mij?" Petrus schrok, hij wist wel dat Hij heel verkeerd had gedaan en hij vroeg zich af of hij nog wel bij Jezus mocht horen. Toen de Here Jezus gevangen was genomen, had hij tot 3 x toe gezegd, dat hij Jezus niet kende. Wat had hij daar een spijt van, had hij dat maar nooit gezegd. "Ja Here, U weet, dat ik U liefheb", zei Petrus. "Weid Mijn lammeren", zei Jezus. En weer vroeg Jezus aan Petrus: "Simon, zoon van Johannes, hou je echt van Mij?" Petrus werd er verdrietig van, zou de Here Jezus niet meer geloven dat hij echt van Hem hield? "Ja, Here, U weet dat ik U liefheb", zei Petrus weer. Toen zei Jezus: "Weid mijn schapen". En na een korte stilte vroeg Jezus weer: "Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij echt lief?" Toen begreep Petrus het. Hij had tot 3 x toe gezegd dat hij Jezus niet kende en nu vroeg Jezus ook 3 x aan Petrus of hij echt wel van Hem hield. Petrus begon te huilen, "Ja Here, U weet alles, dan weet U toch ook dat ik van U houd?" Toen zei Jezus: "Weid mijn schapen". Jezus zei ook nog wat er later ging gebeuren met Petrus en dat hij altijd de wil van God zou doen en niet z'n eigen wil. Maar dat wilde Petrus ook graag en hij wist nu ook dat Jezus hem alles had vergeven, het was weer helemaal goed. Nooit zou iets hem kunnen scheiden van Jezus, dat wist hij nu zeker.

En met die lammeren en schapen, bedoelde Jezus de mensen, aan wie Petrus en de andere discipelen het blijde nieuws mochten gaan vertellen, dat Jezus, de Zoon van God leeft en dat alle mensen en kinderen bij Hem mogen horen.