Daar gaan twee mensen langs de weg, het zijn Jozef en Maria. Zij komen uit het
dorpje Nazareth en zijn op weg naar Bethlehem, dat is de stad van koning
David. Zij zijn nog familie van koning David en daarom moeten zij in die
stad hun naam op laten schrijven. Het werd steeds drukker op de weg, want er waren zoveel mensen op reis. "We zijn er bijna hoor Maria, nog even volhouden", zei Jozef. "Kijk, daar in de verte zie je Bethlehem al liggen en als we daar zijn, gaan we gauw een plekje voor je zoeken en kun je eindelijk uitrusten". "Ja, dat is goed, Jozef, we zijn er bijna". Eindelijk waren ze
bij de herberg, dat is een huis waar je kunt slapen als je op reis bent.
De herbergier keek
eens naar Maria en hij zag wel hoe moe ze was en hij kreeg medelijden
met haar. "Weet je wat", zei hij, "ik heb nog wel een
plaatsje vrij in de stal bij de dieren, kom maar mee. Daar kunnen jullie
wel slapen vannacht, in de herberg is geen plaats voor jullie." Hij bracht hen naar
de stal en wenste hen goedenacht. In die donkere
stille nacht, in die oude stal is toen iets heel moois gebeurd, het
allermooiste dat ooit is gebeurd op aarde. Maria nam het kindje
in haar armen en wikkelde het in doeken, want ze had geen kleertjes voor
het kindje. Er was ook geen wiegje, maar Jozef nam een voederbak van de
dieren en maakte daarin een bedje van hooi. Toen legde Maria het kindje
Jezus in de kribbe. Daar lag nu de Zoon van God als een hulploos kindje, in de kribbe in een oude stal. En niemand wist nog van het grote wonder, dat Jezus was geboren, de Zoon van God.
|